Epiloog
* link naar
Inhoudopgave
Samenvatting & Aanbevelingen
Welkom aan een nieuwe, verantwoordelijke elite
De mens gereduceerd tot grondstof
Managen langs MBA lijnen komt in essentie neer op managen vanuit het principe van de ‘survival of the fittest’. Het is wellicht geen toeval dat de business schools een bovengemiddeld percentage managers produceren met een ‘calculerende’, ‘heroïsche’ stijl (Mintzberg) die zich goed thuis voelen in het neoliberalisme, de ideologie die de krachten van de vrije markt zo ongeveer heilig verklaart. Ook die predikt immers het recht van de sterkste. Het eendimensionale mensbeeld van dit type manager bouwt voort op dat van de ‘klassieke economen’ van eind achttiende, begin negentiende eeuw (Adam Smith, David Pareto), die het individuele profijt als de belangrijkste drijfveer van de mens zagen. Het heeft de neiging werkers te reduceren tot productiefactoren op gelijke voet met grondstoffen en kapitaal, een reductie die uitdrukking heeft gevonden in de term ‘human resources’, thans gebruikelijk voor wat ooit ‘personeel’ heette.
De MBA managementperceptie bejegent ook hoogopgeleide werkers (professionals, kenniswerkers) als ‘menselijke grondstoffen’ en dringt hen in zodanig enge kaders (administratieve systemen, kwaliteitsystemen, time management) dat ze zich op den duur niet meer gekend en gerespecteerd weten in de kern van hun activiteit, hun vakbekwaamheid. Precies dit proces hebben wij de afgelopen decennia zien afspelen, eerst in het bedrijfsleven en daarna ook in de publieke sectoren. Het resultaat is een botsing van denkwerelden en mensbeelden maar ook van autoriteiten en identiteiten. Professionals – de goede uiteraard – hebben ergens verstand van. Zij zijn experts in techniek, zorg, onderwijs, of een andere discipline en worden door hun cliënten, collega’s, studenten, enzovoort als zodanig gezien. Hun imago en identiteit is die van professionele ‘autoriteit’. Men stelle zich voor wat het voor hen betekent om door hun bestuurders en managers te worden behandeld als productiefactoren, met als belangrijkste taak bij te dragen aan de maximalisatie van de organisatiedoelen – tegenwoordig vaak beperkt tot no. 2) winst, en no. 1) aandeelhouderswaarde. Op een moment zijn zij bezig met een technisch vraagstuk of met een complex individu (cliënt, patiënt, student, enzovoort), en laten zij daar hun beste kunnen op los. Het volgende moment zitten zij in het strafbankje van hun manager omdat hun ‘productie’ niet voldoende is of omdat zij niet de gewenste formulieren hebben ingevuld. Wat een paradox! Wat een merkwaardig en onwezenlijk spel! Net nog de deskundige, de ‘autoriteit’, gehoorzamend aan de standaarden van het beroep, dan ineens de productiefactor, ondergeschikt aan de prestatie-eisen van de organisatie!
De managers die hun professionals met die eisen confronteren, werken zelf ongetwijfeld hard om hun opdracht te vervullen. Zij weten best dat hun ‘resources’ eigenlijk gezaghebbende, vakbekwame professionals zijn in een wereld vol weerbarstige problemen, maar zij hebben geen concepten voor die complexiteit. Zij begrijpen hun organisaties slechts als een verzameling ‘targets’. Dat wil zeggen: tot de dag waarop zij problemen krijgen, bijvoorbeeld met hun kind, en zelf bij een werknemer of een vergelijkbare professional te rade moeten gaan. Dan zullen zij slechts oog hebben voor oplossingen en voor kwaliteit. Dan is het hun beurt voor enige innerlijke verwarring.
De nalatige babyboom elite
Het structurele misverstand tussen manager en professional lijkt onderdeel van de verwarring die de Nederlandse samenleving – en misschien de hele westerse wereld – doorspoelt, en die ook wel wordt omschreven als een ‘identiteitscrisis’. In een artikel over de oorzaken, gepubliceerd in 2007, richt de historicus en antropoloog René Cuperus, senior onderzoeker van de Wiardi Beckman Stichting (een sociaaldemocratische denktank), zijn pijlen op de elite. Die is de afgelopen decennia geleidelijk bezet door de naoorlogse babyboomgeneratie, waarvan de eerste leden werden geboren in 1947. Cuperus stelt dat de babyboomelite zich “door gebrek aan historische ankers” heeft ontpopt als een “bureaucratische bedrijfsmatige elite met weinig cultureel besef voor tradities en instituties.” Kenmerkend is dat zij ontkent een elite te zijn. Echter, en hier volgt de kern van Cuperus’ betoog: “een elite die wegloopt voor leiderschap wordt een nalatige elite”.1
Cuperus’ j’accuse is voor de auteurs van dit boek, zelf ‘babyboomers’, zeker herkenbaar. Het is veel leden van deze generatie moeilijk gevallen zichzelf ten opzichte van elkaar daadwerkelijk te onderscheiden en te kiezen voor een eigen identiteit als inhoudelijk of bestuurlijk leider. Het risico van kritiek hield hen op het niveau van het maaiveld. Als zij toch in een leidende of richtinggevende rol belandden, dan gebeurde dit vaak in een lange ontdekkingstocht vol worsteling, waarin de noodzaak van onderscheidende keuzes steeds duidelijker en uiteindelijk, heel geleidelijk, onontkoombaar werd.
Jongere generaties die deze worsteling zelf niet kennen, hebben de neiging de babyboomers gemakzuchtig, geresigneerd of zelfs laf te noemen. Begrijpelijk. Kort na de millenniumwisseling begonnen de eerste ‘boomers’ het maatschappelijk toneel te verlaten, nog pas middenvijftigers, rijk door beurswinsten, of met gebruikmaking van de laatste riante vertrekregelingen die de verzorgingsstaat te bieden had – in ieder geval ruim voor het pensioen. Dit wekte op zijn minst de indruk dat zij, midden in een tijd van economische terugval (2001-2003) en politieke verwarring (de aanslagen op het World Trade Center te New York, de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh in Nederland), liever voor zichzelf kozen en de leiderschapsvraag overlieten aan degenen die na hen kwamen – overigens ook ‘boomers’, want de geboorteperiode van deze generatie strekt zich uit tot rond 1965.
De beschuldiging jegens de babyboomers van nalatigheid is dus niet helemaal zonder grond. Dat is geen reden om hun gedachtegoed tot de laatste letter te verwerpen. Zij groeiden op in de jaren vijftig, een periode waarin oude elites de hoop op bestuurlijke vernieuwing – die tijdens de Tweede Wereldoorlog was ontstaan – smoorden en waarin het openbaar bestuur maar ook het organisatie- en bedrijfsbestuur het toonbeeld waren van autoritaire restauratiedrang. In reactie daarop stelden de babyboomers, waarvan de eerste cohorten in de jaren zestig de volwassenheid bereikten, vóór alles de autonomie, de zelfbeschikking en de integriteit van het individu centraal. Terecht, want die principes verdienden – na de van massacultuur doordrenkte en bloedrode eerste helft van de twintigste eeuw – bepaald ook wel enig eerherstel. De fout van de babyboomers lag niet zozeer in de inhoud van hun denkbeelden als in de revolutionaire felheid waarmee zij die nastreefden. Alles moest anders, alles moest nieuw. Culturele waarden en historische verworvenheden spraken hen niet aan. Cuperus heeft gelijk: zij hadden weinig oog voor continuïteiten en tradities, en zij hadden weinig op met leiderschap, dat immers riekte naar bazigheid, bevoogding en herstel van het oude, en niet naar vernieuwing, respect en vooruitgang.
In deze historische context is het niet onlogisch dat de tweespalt tussen professionals en managers, die in dit boek is beschreven, juist in de jaren zeventig, tachtig en negentig is ontstaan, in de decennia waarin de eerste babyboomers de maatschappelijke carrièreladder bestegen. De rol van professional, van inhoudelijke ‘autoriteit’, paste goed bij hun gemiddeld hoge opleidingsniveau en hun individualisme. Met de rol van bestuurlijke gezagsdrager hadden zij veel minder affiniteit. Toen de leidinggevende posities toch in zicht kwamen – elke generatie is een keer aan de beurt – hadden de babyboomkandidaten die daarvoor in aanmerking kwamen een probleem. De term ‘macht’ had in hun kring een pejoratieve klank. Zij konden geen beroep doen op oude leiderschapsmodellen, die zij autocratisch, paternalistisch, verwerpelijk of ronduit dictatoriaal en gevaarlijk achtten (de babyboomgeneratie, laten we niet vergeten, was ook die van de antiautoritaire opvoeding). Fundamentele discussies over ‘leiderschap’ waren moeilijk tot onmogelijk. Het is vanuit deze onmacht, vanuit deze ideologische leegte, dat veel leidinggevende babyboomers het MBA managementmodel hebben omarmd, zo vermoeden wij. Dat model bood hen namelijk de mogelijkheid om de achterhaalde autocratische bestuurdersrol van de jaren vijftig in te ruilen voor een nieuwe, technocratische rol, een die niet was gebaseerd op persoonlijkheid, ervaring, status of positie, maar op de quasiwetenschappelijke concepten en technieken waarmee men zich kan laten impregneren op business schools. Die moderne jas – de jas van de ‘professional manager’, de professional met management als beroep – paste hen perfect.
Het valt gemakkelijk in te zien dat de ‘boomer’-beroepsmanagers, eenmaal aangeland op het pluche, vervolgens ook massaal vielen voor het neoliberalisme. Die ideologie paste uitstekend bij hun vooruitgangsgeloof en hun individualisme, en bood tegelijkertijd een prachtige oplossing voor hun leiderschapsprobleem. Zij belooft immers dat de jacht naar het persoonlijke voordeel, mits de vrije hand gelaten, vanzelf maatschappelijke vooruitgang teweeg zal brengen, niet op grond van visie en menselijk leiderschap, maar op grond van de geheimzinnige krachten van de ‘Vrije Markt’. Voor de babyboomelite met haar antiautoritaire achtergrond en haar technocratische managementopvattingen was zo’n anoniem ‘leiderschap’ een ideologisch geschenk uit de hemel. Wat zij niet besefte, was dat dit geschenk een op zijn minst nogal paradoxaal karakter had. De neoliberale ideologie is welbeschouwd minder pluriform dan het oorspronkelijke liberalisme. Ook de ‘klassieke economen’ van eind achttiende, begin negentiende eeuw aanbaden de vrije markt. Zij zagen daarnaast echter nog een rol voor de staat en voor een sector met activiteiten van algemeen belang. Het neoliberalisme schuift deze publieke instituties goeddeels terzijde, hetzij door ze obsoleet te verklaren, hetzij door ze onder het regime van de markt te brengen. De vroege leden der babyboomelite waren tot jongvolwassenheid gekomen in de jaren zestig. Zij hadden de golf van democratisering aan het eind van dat decennium en begin jaren zeventig bewust – en deels actief – meegemaakt. Zij zagen zichzelf ongetwijfeld als overtuigde aanhangers van de democratie en van politieke pluriformiteit (hoewel men bij de democratische praxis van sommigen nog zo zijn twijfels kan hebben). Niettemin, toen zij eenmaal aan de macht kwamen, schaarden zij zich achter een uitgesproken monistische economische ideologie.
Anoniem, gereïficeerd leiderschap zoals dat van de ‘vrije markt’ is – net als goddelijk leiderschap – soeverein, onaantastbaar, niet ter verantwoording te roepen. Het ontbeert tegenkrachten, of weet die goed te ontwijken, en loopt daarmee groot risico van excessen en van falen. Die zijn ook gekomen, in de vorm van onbeheerste speculatie, toenemende zelfverrijking, en de felle financiële en economische crisis die thans (eind 2008, begin 2009) woedt. De babyboomgeneratie is een lange generatie. Ook na het vroege vertrek der eerstgeborenen, kort na de millenniumwisseling, bleven haar leden het toneel van de macht domineren (de laatste zullen pas tegen 2025 zijn vertrokken). In die positie hebben zij de regelmatige waarschuwingen voor zo’n dramatische uitkomst onbekommerd genegeerd, in een houding die nog het best te beschrijven is als een van collectieve zelfoverschatting. Daarmee werd de babyboomelite behalve een nalatige ook een falende elite. Nu de crisis eenmaal een feit is, valt in jongere generaties veel wrok tegen haar te signaleren. In het kielzog van dit ressentiment zou ook de MBA managementperceptie – die immers is omarmd door de babyboomers en die zich voluit met het neoliberalisme heeft geëncanailleerd – verder onder kritiek kunnen raken. Tijdens het schrijven van de eerste versies van deze epiloog, in najaar en winter 2008-2009, werden wij in die verwachting bevestigd door de reacties van het bedrijfsleven op de economische crisis. Op schrijnende wijze werd zichtbaar hoezeer inhoudelijke armoede de beroepsmanagers in dergelijke moeilijke situaties, waarin het er echt op aan komt, parten speelt. Nu hun eendimensionale verhaal plotseling op dood spoor was beland, hadden zij geen enkele serieuze analyse voorhanden. Hoe had de kredietcrisis kunnen ontstaan? Lange rijen bankiers – inclusief hun toezichthouders – wasten de handen in onschuld en beklaagden zich dat niemand die had kunnen voorzien. En toen hun verkopen instortten, wisten de topmanagers van de drie grote Amerikaanse autoconcerns niet hoe snel ze met hun corporate jets naar Washington moesten vliegen om de hand op te houden bij het Congres. Zij kwamen daar zonder enig plan tot verandering of verbetering. Zij zaten, letterlijk, met de handen in het haar, zonder analyse en zonder oplossingen. Wat een schamele vertoning!
Terug naar de kern
Wat betekent dit alles voor de moeizame strijd tussen managers en professionals en voor de folie à deux genaamd ‘bedrijfsmatig – bureaucratisch complex’ waarin zij zichzelf en elkaar gevangen houden? In deel 2 hebben we die thematiek uiteengelegd in drie ‘dilemma’s’. Moeten wij de leiding over onze organisaties en instituties toevertrouwen aan beroepsmanagers of aan inhoudelijke deskundigen? Moeten wij kiezen voor regels, protocollen en controle als sturingsprincipes of voor vertrouwen, stimulans en professionele ruimte? Laten wij het Angelsaksische economische model en mensbeeld verder doordringen of geven wij de voorkeur aan Rijnlandse varianten? In de betreffende hoofdstukken hebben wij al een en ander losgelaten over de richting waarin wij de antwoorden zoeken. De centrale gedachte is die van de synthese. Niet het compromis. Het compromis, schrijft Van Dale, is een ‘tussenoplossing’, een ‘schikking tussen partijen waarbij ieder van beide iets toegeeft’. Een synthese is een ‘samenstelling’ of ‘verbinding’ van afzonderlijke elementen tot ‘een nieuw geheel’. Het compromis laat de tegenstelling intact, de synthese overstijgt die en combineert the best of both worlds.
Oplossingen klinken vaak gemakkelijker dan ze zijn. Dat is ook in dit geval zo. De uitdagingen zijn enorm. Het MBA- en vrije marktdenken hebben breed en diep toegeslagen, eerst in het bedrijfsleven en daarna in de publieke sector, die in dit boek onze speciale aandacht heeft. In dertig jaar tijd zijn concepten als de ‘terugtredende overheid’, New Public Management en ‘marktwerking’ tot in de haarvaten van die sector doorgedrongen. Van gemeenten tot ministeries, van scholen tot ziekenhuizen, overal treft men thans beroepsmanagers die vooral bezig zijn met targets, command & control, en het uitbesteden van taken. Velen van hen hebben slechts flinterdunne kennis van het terrein dat zij aansturen, ook bij de rijksdepartementen, die tegenwoordig kunnen – ja, zelfs moeten – putten uit een gezamenlijke pool van roulerende beroepstopmanagers. De impregnatie van de publieke sector met MBA en neoliberaal denken is zó succesvol verlopen dat niet alleen veel managers aldaar maar ook de financieringsstelsels, de sturingsmodellen en de kwaliteitssystemen thans geheel en al de geest van dit mengsel ademen.
Daar komt bij dat de melange van MBA management en neoliberalisme zoals we zagen een zeer succesvolle alliantie is aangegaan met de bestaande ambtelijke tradities, met als resultaat een monsterverbond van marktdenken en regelzucht dat voor professionals, maar ook voor veel goedwillende bestuurders een bron van grote dagelijkse ergernis en frustratie vormt. Ontmanteling van dit ‘bedrijfsmatig – bureaucratische complex’ is naar onze overtuiging een conditio sine qua non voor vrede en vooruitgang in de publieke sector. Zo’n ontmanteling vereist om te beginnen een fundamentele discussie over de rol en taken van die sector, over de achtergelegen mensbeelden, en over de bijpassende managementsystemen en organisatiestructuren (wat bijvoorbeeld te doen met de hybride ‘zelfstandige bestuursorganen’ – bureaucratische machtsblokken die grote hoeveelheden geld opslokken, alleen op afstand gecontroleerd worden, en het speelterrein zijn van managers en bestuurders met onstuitbare neigingen tot luxe).
Richtsnoer voor zo’n discussie te zijn dat de activiteiten van de publieke sector zich niet in de eerste plaats richten op winstgevendheid maar op een algemeen maatschappelijk belang, zoals de landsverdediging, de wegenaanleg, de sociale vangnetten, het onderwijs of de gezondheidszorg. Binnen de publieke sector kan men dan nog onderscheid maken tussen de overheid en de non-profit sector. De overheid heeft mede tot taak de voorwaarden te scheppen voor economische dynamiek en daarmee voor verhoging van het bruto nationaal product (bnp). Dat geldt niet voor de non-profit sector. Die dient (samen met de overheid) vooral te zorgen voor economische stabiliteit en verhoging / handhaving van het welzijn. Tegenwoordig circuleert daarvoor de term ‘bruto nationaal geluk’ (bng). Dat concept, dat ook wel wordt uitgedrukt met het woord wellness, richt zich behalve op economisch welzijn ook op bevordering van fysiek, psychisch, sociaal en politiek welzijn, en op de kwaliteit van milieu en arbeid. Toen de regering van het Himalayastaatje Bhutan Gross National Happiness in 2005 uitriep tot centrale beleidsdoelstelling, werd er eerst wat lacherig op gereageerd. Sindsdien mag het GNH (bng) zich in toenemende belangstelling verheugen. Er worden internationale conferenties over georganiseerd, men probeert meetmethoden te ontwikkelen en er is al een eerste wereldwijde GNH survey gehouden.2
Wij pleiten niet voor totale verbanning van economische principes en het marktdenken uit de non-profit sector en de overheid. Wel voor een publieke cultuur waarin de kwalitatieve doelstellingen en functies van de publieke sector – zoals uitgedrukt in het bng – als toetssteen fungeren. Met het bng als leidraad wordt het bijvoorbeeld onverantwoord om publieke diensten – die immers voor zekerheid, stabiliteit en welzijn moeten zorgen – over te laten aan de grillen van de financiële markt, waar vooral speculanten de dienst uitmaken. Als een samenleving dergelijke diensten wil laten uitvoeren door particuliere ondernemingen, dan moeten die steunen op stabiel eigendom, wat betekent dat ze in ieder geval niet beursgenoteerd kunnen zijn. Ondernemingen met publieke taken moeten ook bredere winst- en efficiencybegrippen hanteren dan puur commerciële ondernemingen, en daarin ruimte inbouwen voor kwaliteit en voor maatschappelijke verantwoordelijkheid – kortom voor aan het bng gerelateerde doelstellingen (de vraag of ‘maatschappelijke ondernemingen’ een eigen rechtsvorm moeten krijgen is in Nederland nog in discussie).3
Eerherstel voor de professional?
Een breed debat over de grondslagen en taken van de publieke sector is één stap. Tegelijkertijd zullen in de praktijk van onderwijs, zorg, welzijn, cultuur, publieke infrastructuur en overheid professionals moeten opstaan die tegen politici en financiers zeggen ‘tot hier en niet verder’. Als in onze dienstverlening vooral prijs en productie centraal staan, raakt de werkelijke kwaliteit versluierd. Kwaliteit moet aantoonbaar zijn, ja, maar niet (alleen) met certificatiesystemen die rechtstreeks zijn overgenomen van het industriële bedrijfsleven. Kwaliteitsmeting in de publieke sector vereist eigen methoden, gebaseerd op serieus wetenschappelijk onderzoek. Dergelijke meting mag zich niet beperken tot kwantitatieve ‘targets’ op korte termijn, zoals aantallen behandelingen of afgestudeerden, maar vereist ook indicatoren van kwalitatieve aard, zoals maatschappelijke meerwaarde op de langere termijn.
Met deze gedachte sluiten wij aan bij ‘Bewijzen van goede dienstverlening’ (2004) van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. In dit rapport stelt de WRR dat de bestuurlijke relaties in de non-profit sector worden overheerst door wantrouwen. “De nadruk ligt nu teveel op het controleren en afrekenen. Dat leidt tot verspilling, middelmatige prestaties en een verstikkende stapeling van toezicht en verantwoording. Bovendien leidt het af van waar het echt om zou moeten gaan: betrokken zorg en goede dienstverlening aan de burgers, cliënten en patiënten.” De overheid zou er beter aan doen te kiezen voor een positieve benadering, “ruimte te bieden aan de instellingen en de professionals en hen aan te sporen kwaliteit en vernieuwing te tonen en zich daarover te verantwoorden”.4
Het standpunt van de WRR is in veel opzichten nog altijd actueel. Het is gebaseerd op bestudering van vijf deelsectoren: onderwijs, welzijn, gezondheidszorg, volkshuisvesting en arbeidsvoorziening. Alle kampen met hardnekkige structurele problemen, aldus de WRR. “In de volkshuisvesting komen investeringen in stedelijke vernieuwing traag van de grond. Het begeleiden van langdurige werklozen naar een dienstverband door de arbeidsvoorziening verloopt moeizaam. Het onderwijs kent een hoge regeldruk die uitgroeit tot een belemmering voor onderwijsinstellingen en voor de mensen die daar het echte werk (onderwijs geven) moeten doen. In de sector welzijn draagt de combinatie van publiek opdrachtgeverschap met private uitvoering weinig bij aan een versterking van de professionaliteit van het welzijnswerk. In de gezondheidszorg groeit de vraag naar zorg gestaag, terwijl binnen de huidige budgettaire en politieke kaders niet aan die vraag kan worden voldaan.” (zoals wij in hoofdstuk 3.2. schreven, lijken de introductie van diagnose behandel combinaties, een nieuwe zorgverzekeringswet en andere veranderingen in de zorg sindsdien te hebben geleid tot toename van bureaucratie maar ook tot het slinken van wachtlijsten en grotere klantvriendelijkheid).5
Volgens de WRR hebben bezuinigingen, reorganisaties en de oprichting van toezichthoudende organen deze problemen niet verholpen en soms zelfs versterkt. Een ding staat voor de raad als een paal boven water. “De raad wil de positie en mogelijkheden van de instellingen en de daarin werkzame professionals versterken en daar waar nodig in ere herstellen. Niet door ze een ‘blanco cheque’ te geven, maar juist door de vernieuwingen en kwaliteitsverbeteringen die zij weten door te voeren te belonen en ten voorbeeld te stellen aan anderen.”
De WRR formuleerde vijf principes voor de bestuurlijke verhoudingen in de non-profit sector – principes die wat ons betreft zeker ook richtinggevend zouden moeten zijn voor de verhoudingen tussen private financiers (zoals verzekeraars) en non-profit instellingen, en voor die binnen die instellingen zelf. Deze vijf zijn: 1) stimuleer kennisuitwisseling tussen beleid en praktijk, 2) investeer in experimenten en innovatieve praktijken, 3) organiseer kritische volgers en actieve tegenkrachten, 4) laat instellingen gerichte maatschappelijke verantwoording afleggen, en 5) ontwerp een samenhangend, sober en selectief toezicht. Met deze principes kan de besturing in de non-profit sector een stuk minder verstikkend worden, denkt de WRR. De raad benadrukt dat de centrale rol in die besturing moet liggen bij de instellingen en hun professionals, niet bij de overheid, andere financiers of toezichthoudende organen. De kwaliteit van de non-profit dienstverlening moet worden bewezen “in de directe relatie met de leerling, de huurder, de patiënt en de werkzoekende” enzovoort. En dat hoeft gezonde zakelijke en maatschappelijke opbrengsten niet in de weg te staan, aldus de WRR.6
Hoewel ook wij voorstander zijn voor zo’n ‘eerherstel’ van de professional, willen wij er een kanttekening bij plaatsen. De oude neiging van professionals tot bevoogding, arrogantie en hogepriestercultuur is nooit helemaal verdwenen. Zij kunnen vaak slecht tegen kritiek. In zijn studie over de Europese en Amerikaanse zorgstelsels (hoofdstuk 3.2) schrijft prof. Winfried de Gooijer bijvoorbeeld dat zorgprofessionals de erosie van hun autonomie mede aan zichzelf te wijten hebben. Zij gaan nog altijd zeer defensief om met medische fouten, wanprestatie en medicalisering. Juist omdat zij zelf te weinig doen aan kwaliteitsbewaking, hebben zij te maken gekregen met extern toezicht, protocollen en regels, meent De Gooijer. Als zij daar weer aan willen ontsnappen, moeten zij meer aandacht besteden aan hun professionalisme (in de zin van ‘vakbekwaamheid’), vindt de sociologe Eveline Tonkens, en zich open stellen voor medezeggenschap en verantwoordingsplicht. Zoals we eerder schreven: de professionals kunnen hun vrijheid niet zomaar opeisen, ze moeten die verdienen.7
Winfried de Gooijer heeft zich ook gebogen over de vraag in welk regime professionals het best gedijen, in een van ruimte of een van regels en protocollen. Hij maakt daartoe onderscheid tussen de fase van diagnose en die van behandeling – een onderscheid dat wel lijkt op Mintzberg’s tweedeling in exploratie en exploitatie, of op die in research & development versus productie. Het stellen van een diagnose, analyseren wat er mis is, eist vooral vakbekwaamheid, en die “heeft bewegingsvrijheid nodig, ruimte voor persoonlijke interpretatie, en een innovatieve houding – aspecten die moeilijk te kweken zijn via welke vorm van standaardisatie dan ook”. Professionals zullen daarom diagnostisch en analytisch het best tot bloei komen in omgevingen met weinig formalisering, zoals Mintzberg’s adhocratie (hoofdstuk 4.2).8
De behandeling die op de diagnose volgt, kan echter wèl worden aangestuurd via geformaliseerde protocollen en worden ingebed in een organisatie met regels, procedures en informatiesystemen. Het is voor zorginstellingen dus de kunst om een goede mix te vinden tussen diagnostische vrijheid en geprotocolleerde zorg. De Gooijer ziet de oplossing in decentralisatie van praktische, operationele beslissingen naar de ‘werkvloer’, en aanstelling van topmanagers die zich niet gedragen als boekhouders maar zich richten op het creëren van optimale werkomstandigheden en op het onderhouden van goede contacten met de buitenwereld. Deze denkrichting sluit goed aan bij onze eigen voorkeur voor netwerkstructuren. Die zijn horizontaal, weinig hiërarchisch en bieden veel ruimte aan de behoeften en kwaliteiten van de erin werkzame professionals. Het is niet perse nodig ze nieuw op te richten. Ook bestaande instellingen kunnen zich omvormen tot netwerken van relatief autonome eenheden, waarbij het bestuur zich terugtrekt op politieke, financiële en wetenschappelijke taken, zoals ook De Gooijer voorstelt. Netwerkorganisaties hebben minimaal centraal management nodig en kunnen daarom zeer productief zijn, met overheadpercentages van wellicht vijftien procent tegenover de huidige soms wel veertig. Voor het benutten van schaalvoordelen en standaardiseringen zijn dankzij moderne informatie- en communicatiesystemen geen uitgebreide bureaucratieën meer nodig.
Netwerkorganisaties zijn van nature het toneel van verschillende zienswijzen en tegengestelde belangen. Om onnodige polarisatie en confrontatie te vermijden, is permanente interne dialoog van cruciaal belang. Dat stelt hoge eisen aan het leiderschap. Bestuurders & managers van netwerken zullen in staat moeten zijn die dialoog te stimuleren, te voeden en gaande te houden. Komt de organisatie in zwaar weer, dan zullen ze toch ook de touwtjes in handen moeten nemen, of de moed hebben de leiding te delegeren aan mensen die daartoe geschikter zijn dan zij zelf. De professionals in de netwerkorganisatie zullen zo’n omslag naar strakkere sturing alleen accepteren als sprake is van geloofwaardig leiderschap. De bestuurder verkrijgt die legitimiteit niet op slag. Hij (of zij) moet haar verwerven, niet slechts door daden maar ook door een overtuigend verhaal dat rust op inhoudelijke expertise.
Welkom aan een nieuwe, verantwoordelijke elite
Het klinkt cynisch, maar de huidige financiële en economische crisis brengt het einde van de ‘moeizame strijd tussen managers en professionals’ en de ontmanteling van het ‘bedrijfsmatig – bureaucratische complex’ mogelijk sneller in zicht dan gedacht. In het commerciële bedrijfsleven onthult de crisis hoezeer veel representanten van de neoliberale, Angelsaksische, MBA managementstijl lijden aan zelfoverschatting, hoe ideeëloos zij zijn, hoe krachteloos in zware tijden. Daarmee levert zij een krachtige impuls voor de herwaardering van de rol van de (top)manager, zoals wij die propageren, en voor het debat over leiderschap, dat wel een slagje dieper mag dan de afgelopen jaren het geval is geweest. In de publieke sector heeft de crisis de discussie over de kerntaken ineens hoog op de agenda geplaatst. Na decennia van verguizing zijn de schijnwerpers weer voluit gericht op de politici en de openbare bestuurders, van wie het leiderschap wordt gevraagd om het falen van de vrije markt te repareren. De staat, nog maar kort geleden als nutteloos en zwaarlijvig terzijde geschoven, blijkt weer de reddingsboei van weleer, de vluchthaven voor bedrijven en burgers in nood, het anker voor economische stabiliteit.
Misschien legt de crisis aldus de basis voor een leiderschapsfilosofie die wèl gevoel heeft voor traditie, instituties en publieke verantwoordelijkheid. Inmiddels zijn de eerste aanwijzingen voor een teruggrijpen op historische lessen zichtbaar. De eind 2008 gekozen Amerikaanse president Barack Obama wijst Franklin Delano Roosevelt aan als zijn voorbeeld, de man die zijn land met groot charisma en scherp besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid door de zware jaren dertig en veertig loodste. Nu een reeks banken en grote beursgenoteerde bedrijven als gevolg van de kredietcrisis in grote problemen is geraakt, verdwijnen individualistische korte termijndenkers in de bedrijfstoppen snel van het publicitaire toneel, en schuiven lange termijndenkers met oog voor continuïteit en collectieve belangen naar de voorgrond. Bij de banken durven sommigen weer te spreken over hun openbaar nutsfunctie, de aarzeling over privatisering en verkoop van elektriciteitsproducenten (vroeger ‘openbaar nutsbedrijven’ geheten) neemt toe, en ook de luchthaven Schiphol ziet zichzelf ineens weer als publieke infrastructuur van nationaal economisch belang en schuift het voornemen tot beursgang terzijde. Sommige ondernemingen hebben de bakens al enige tijd verzet. Wij bespraken hoe Philips Electronics en Royal Dutch Shell in 2001 respectievelijk 2004 afscheid namen van hijgerige, heroïsche bestuursvoorzitters, en het heft in handen legden van rustige opvolgers met zowel vakinhoudelijke kennis als bestuurlijke ervaring. De nieuwe topman van Shell, Jeroen van der Veer, maakte in zijn eerste toespraak direct korte metten met de interne job hopping van managers die meer met hun eigen carrière bezig waren dan met de ontwikkeling van het bedrijf. U mag rouleren, mijne heren en dames, was zijn boodschap, maar op elke post dient u zich voldoende te bewijzen. Zowel bij Shell als bij Philips moesten financiële targets het toneel weer gaan delen met inhoudelijke strategische doelstellingen voor de (middel)lange termijn.
Let wel, het is niet gezegd dat bovengenoemde aanwijzingen een trendbreuk inluiden. Misschien blijken zij niet meer dan een schrikreactie op de crisis, een aarzeling in de geschiedenis. De met neoliberale denkbeelden geïmpregneerde beroepsmanagers van de nalatige, falende babyboomelite zitten nog altijd in het zadel. De babyboomers vormen een lange generatie, haar laatste leden zullen pas rond 2025 de cirkels van de macht verlaten. Wie verandering wil, kan die generatie dus niet zomaar negeren of afschrijven, en zal moeten proberen haar bij het debat en denkproces te betrekken. En er zijn meer redenen voor terughoudendheid over de kans op verandering. De overtuiging dat wij thans getuige zijn van het falen van de neoliberale ideologie leeft vooral bij de tegenstanders, niet bij de nog altijd overvloedige aantallen aanhangers. In de VS zijn ook duidelijke tekenen zichtbaar dat gevestigde belangen niet zullen nalaten Barack Obama’s plannen voor een sociaaldemocratische omslag à la Roosevelt te frustreren. In Europa zal, als de crisis straks luwt, ongetwijfeld weer aandrang klinken tot verder terugtreden van de overheid, hervatting van de privatisering van infrastructurele activiteiten, voortgaande opvoering van de marktwerking in de publieke sector. Het zal kortom tijd en moeite kosten om die mogelijke nieuwe, verantwoordelijke, historisch bewuste leiderschapsfilosofie naar het front van het maatschappelijk discours te manoeuvreren.
Zelf zien wij de crisis vooral als een pas op de plaats, een kans om stil te staan bij de consequenties van drie decennia neoliberalisme, ‘terugtredende overheid’, New Public Government, MBA beroepsmanagement en ‘bedrijfsmatig – bureaucratisch complex’. Het heeft weinig zin deze ideologieën en trends in hun geheel te verwerpen, en blind terug te keren naar de sociaaldemocratische pro-overheid, anti-markt stijl van de jaren zeventig. Dat zou ook leiden tot terugkeer van een paar problemen uit die tijd, zoals grote overheidstekorten, stevige inflatie en een harde politieke polarisatie. Nogmaals, het gaat om het vinden en realiseren van verbindende en conflictoverstijgende oplossingen, niet om zwart-wit keuzes. Juist op dat punt is het neoliberalisme de fout in gegaan, het heeft zich tot alleenzaligmakend benoemd.
Als het inderdaad lukt een serieus discours op gang te brengen over de wijze waarop wij onze instellingen en instituties besturen, en over de achterliggende mens- en maatschappijbeelden, dan zal op den duur misschien ook een nieuwe, constructieve leiderschapselite ontstaan – met meer dan nu bestuurders en leiders van de rijpheid en het kaliber van Freud’s Mozes, aan wie men inderdaad, zoals de Global Commission on Global Governance wenst, ‘het heden kan toevertrouwen omdat ze zich gedragen als goede beheerders’. Als het aan ons ligt, zal die elite zich bewust zijn van aloude waarden als gemeenschapszin, solidariteit met de meest kwetsbaren, eminent onderwijs als drager van de beschaving en de tradities. Zij zal worden gevormd door mensen die een verhaal hebben waarin deze waarden een centrale plaats innemen, die begrijpen wat ‘synthese’ inhoudt, die een helder evenwicht kunnen vinden tussen de markt en hun publieke opdracht, die zowel management als inhoud in zich dragen, die zelf expert zijn in techniek, financiën, zorg, onderwijs en wonen, enzovoort, maar ook in MBA kennis en vaardigheden, die Angelsaksisch noch Rijnlands zijn maar het beste uit beide modellen weten te destilleren. Om tot die elite te kunnen behoren, zullen haar leden moeten kunnen omgaan met meervoudigheid, met dialoog, met toekomstvarianten, daar een weg in kunnen zoeken en vinden, hermeneutische vaardigheden hebben, signalen kunnen interpreteren, analyses kunnen maken, deze uit kunnen leggen, en hun medewerkers, collega’s en stakeholders kunnen overtuigen.
Een leiderschapselite is de resultante van een maatschappelijk klimaat, schreven we. Het cliché heeft gelijk, het volk krijgt de leiders die het verdient. Een eendimensionaal, zwart-wit klimaat leidt tot eendimensionale ‘sterke leiders’ met eenvoudige waarheden en simpele oplossingen, die hun onderdanen en ondergeschikten zelfs het denken uit handen nemen. Een samenleving (of organisatie) die ‘goede beheerders’ wenst, zal haar burgers (of medewerkers) vertrouwd moeten maken met het multidimensionale, complexe karakter van de wereld, en hen van jongs af leren daarmee om te gaan. Ze moet hen stimuleren tot dialoog, verdieping en actieve sociale participatie, liefst in kleinschalige organisatievormen, zodat zij elkaar aan den lijve kunnen leren kennen, met al hun verschillen en eigenaardigheden. Het belangrijkste is misschien wel: een samenleving of organisatie die zich ‘goede beheerders’ aan de leiding wenst, moet zich niet op sleeptouw laten nemen door de waan van de dag. Tijdens een recente conferentie in New York over de oorzaken van de huidige financiële en economische crisis zei een van de sprekers: “de afgelopen decennia hebben bankiers en beleggers het verloop van de reële economie willen bepalen. Maar zij zijn te snel, ze moeten worden afgeremd. Wall Street moet langzamer worden”. Zo is het. Het zou goed zijn als de hele wereld langzamer werd, zich meer tijd gunde voor bezinning en discussie, en zichzelf boog over de grote vragen van de toekomst, waar veel bedreigingen in schuilgaan maar ook veel mogelijkheden voor verbetering, die echter alleen te realiseren zijn in samenwerking en onder goed, opbouwend, verbindend leiderschap.9